<%@LANGUAGE="VBSCRIPT" CODEPAGE="1252"%> Politiek gevangene ::: Aukelien Weverling
     Copyright 2006, Uitgeverij Meulenhoff
Aukelien Weverling leest voor uit Politiek gevangene.
Klik hier. (Windows Media Player)

We zaten hoog boven de daken van Amsterdam en af en toe zei een van ons: 'God, wat ben ik mislukt,' of: 'Eigenlijk kan ik helemaal niks.' Dan zwegen de anderen, omdat je een waarheid niet moet ondergraven.
We zaten boven het vergeelde bladerdak van de straat en zij waren allebei twintig jaar ouder dan ik, ze zouden eerder doodgaan.
'Over vijftig jaar ben ik helemaal alleen, dan zijn jullie dood en dan moet ik nog door.' Ik nam een slokje champagne. Zij zwegen. 'Rigaut schreef ooit dat de enige gemoedstoestand die zichzelf opwekt verveling is.' Ik vulde mijn glas bij. 'Volgens mij wekt verliefdheid zichzelf ook op.'
Zij zwegen weer, maar dit keer was dat meer om een vermoeiende discussie te vermijden dan om de waarheid niet te ondergraven.
Ik tuurde voor me uit over de daken en daarna naar beneden en zag dat alles wat zich op straat afspeelde klein was geworden. Ik was jarig en mijn twee Tommen waren het met me aan het vieren. Eigenlijk mochten ze elkaar niet zo, maar op mijn verjaardag maakte dat niet uit. Straks, als de fles champagne op was, moest ik naar mijn ouderlijk huis, maar nu nog niet.
Nu zat ik tussen Tom A. en Tom S. in, die net deden alsof ze elkaar wél aardig vonden.
'Op jou, en op dat je maar een heel prachtig leven mag leiden,' zei Tom S. terwijl hij zijn glas hoog de lucht in hield.
Tom A. vroeg: 'En, Seringe, wat zei Aristoteles over het leven?'
Ik haalde mijn schouders op.
'Dat leven het vermogen is jezelf te voeden, te groeien en te vergaan.'
'Dat wist ik niet,' ik tuurde even voor me uit, 'en het maakt me een beetje depressief.'
'Dat hoef je ook helemaal niet te weten,' troostte Tom S.
'Ik zal je een boek lenen waarin dit allemaal uitgelegd wordt,' zei Tom A.
'Het geeft niet als je het niet leest,' merkte Tom S. op.
'Kennis is macht,'
'En geluk met de dommen,' antwoordde Tom S.
Ik trok mijn kraag op, het was eigenlijk te koud om op het dakterras te zitten, dat lag aan de tijd van het jaar. Straks moest ik naar mijn moeder die twintig jaar geleden een geboortekaartje had rondgestuurd waarop stond: 'Ze zijn geboren: Beuk en Seringe! Twee wolken van baby's. Visite tussen 15.00-16.00 uur.' Op het kaartje stonden bloemen, ze had het me laten zien.

Eerst was mijn moeder tegen onze komst geweest, want ze vond het asociaal om twee kinderen te krijgen terwijl er in de derde wereld kindertjes omkwamen van de honger en het Rapport van Rome had diepe indruk op haar gemaakt, vijf jaar na het verschijnen ervan was ze nog steeds bezorgd dat wij de grondstoffen op zouden maken, maar een tweeling aborteren kwam te veel in de buurt van genocide en daarom waren we dus geboren: twee wolken van baby's.
We hebben wel nog voor abortus gedemonstreerd, heeft ze me later verteld, en ik had geknikt, want ik wist niet wat ik anders moest doen. Het moet er zot uitgezien hebben: een moeder met twee kinderen en een spandoek waarop 'Baas in eigen buik' geschreven stond. Gelukkig werd abortus in 1984 gelegaliseerd, want we stonden al vaak genoeg voor lul.

'Zijn jullie moeders normaal?'
'Oud maar normaal,' antwoordde Tom A.
'Dood en wat is normaal?' mompelde Tom S. Een koude herfstwind blies door zijn haren.

's Avonds vroeg ik aan Beuk: 'Denk je dat mama heel veel van ons houdt?' We liepen van de tramhalte naar haar huis.
'Kijk, Seringe, da's nou een leuke vraag voor tijdens het eten.'
Er was die avond geen eten, want mijn moeder was negers aan het helpen in de Bijlmer, omdat negers ook mensen waren.

Het was in deze tijd, de tijd dat ik intensief optrok met mijn twee Tommen, en mijn moeder voor de zoveelste keer met zwarten aan de slag was, dat ik Constantijn ontmoette. Ongeveer een week later voor wie een tijdsaanduiding wil. Een tengere jongen met blonde krullen, blauwe ogen en sterke armen.
Hij stond in een hoek van de Openbare Bibliotheek een boek te lezen dat ik ook had gelezen. Hij klapte het dicht.
'Stom hè, dat boek,' zei ik.
'Ja.'
'Ik begrijp wel dat hij te klein was om goed te functioneren, maar hij etaleert het ook wel, hoor.'
'Het is ook ongeloofwaardig dat hij al die dingen heeft meegemaakt.' Hij schoof Pinkeltje en de Bibelebonse pap terug in de kast, pakte zijn rugzak en liep naar buiten. Waarom ik hem toen achternagelopen ben weet ik niet, maar het leek me logisch.

'Waarom volg je mij?' vroeg hij, toen ik hem bij de Leidsestraat nog steeds niet uit het oog verloren had.
'Ik dacht dat je misschien wel met me uit wilde gaan.'
'Ja, maar niet nu.'
'Nee, natuurlijk niet nu, nu is het drie uur 's middags.'
'Ach, waarom ook niet nu?'
Hij keek me even geringschattend aan, hij had mij natuurlijk ook nog nooit gezien, en zei: 'Maar ik ga niet met je naar bed.'
'Nee, daar is geen sprake van, we zijn gewoon vrienden.'

We dronken een biertje in een café vlak achter het Leidseplein. Hij kende de barman en hoefde niet te betalen. 'Daarom kom ik hier altijd,' legde hij me uit. Ik knikte. Hij had een grote mond en zijn tanden waren ermee in verhouding, op zijn smalle bovenlip zat bierschuim.
'Seringe, is dat niet de naam van een struik?'
'Ja, maar de struik heeft er geen "e" achter.'
'Toch, het gaat over de natuur.'
'Mijn moeder houdt van de natuur. Mijn broer heet Beuk.'
'Wat doe jij eigenlijk?'
'Niks.'
'Ik bedoel in het dagelijks leven.'
'Ik ook.'
'Dan doen we hetzelfde.'
'Leuk.'
'Kom we gaan.' Hij dronk zijn glas in één teug leeg.
'Waarom?'
'Omdat die gast met dat groene jack eindelijk naar het toilet is.'
We groetten de barman, in het voorbijgaan griste Constantijn het pakje sigaretten van de gast van het groene jack mee. Eigenlijk had ik met mijn twee Tommen afgesproken dat ik niet meer zomaar met vreemden mee zou lopen, maar een klein ommetje kon beslist geen kwaad. Ik liep achter Constantijn het café uit.
Buiten was het koud, hij trok zijn kraag op en haalde twee verschillende wanten uit zijn zak. We snoven de novemberlucht op terwijl we naar de Nieuwmarkt liepen. Hij gaf me een sigaret.
'Ik rook niet.'
'Geeft niet,' mompelde hij, 'rook hem toch maar gewoon op.'
Er kwam rook uit mijn mond en ik wist niet of het kwam door de kou of de sigaret.
'Je moet hem losser vasthouden.' Hij wees naar mijn sigaret. 'Kom eens met je hand, kijk zo.' Hij verplaatste mijn vingers een beetje. 'En dan nu losser. Je moet stoppen met roken als hij tot ongeveer een centimeter boven het Marlboro-teken is afgebrand.' Ik knikte.
Hij pakte mijn hand vast en samen liepen we stil door de Damstraat, waar mannen in joggingspak ons xtc, coca en lsd aanboden, tegen wat ongetwijfeld schappelijke prijzen waren. De motregen gaf de straten een diepere kleur.
'Heb jij eigenlijk een huis?' vroeg Constantijn.
'Al een tijdje.'
'Da's mooi.'

Het café aan de Nieuwmarkt was leeg, we wachtten aan de bar op een jongen van wie hij nog geld kreeg, zes zigeunerkindertjes aan de wand moesten om ons huilen.
'Het is een gok, want geld hebben we natuurlijk niet, maar laten we vooral wat bestellen,' zei Constantijn en hij gebaarde naar het meisje achter de bar, dat twee glazen pakte en de tap opengooide.
Een tijdje zaten we stil voor ons uit te kijken, in afwachting van zijn kennis bouwde zich een spannende verveling op die er evengoed niet had kunnen zijn.
'Wat is dit?' Constantijn viste een verschrompeld rond dingetje tussen zijn pinda's uit.
'Dat is een rozijn,' antwoordde het meisje achter de bar.
'Het zit tussen mijn pinda's.'
'Dat is lekker.'
'O.' Constantijn bekeek hield zijn verworven lekkernij tussen zijn vingers. 'Misschien is het wel een krent.'
'Het is een rozijn.'
'Volgens mij is het een krent.'
'Het is een rozijn.'
'Ik heb een vriendin die bang is voor rozijnen. Ik ga hem aan haar laten zien.' Hij stopte hem in zijn zak. 'Mag ik een leeg bakje om ze tussen mijn pinda's uit te vissen? Ik wil ook een vers biertje, Seringe, wil jij nog wat?'
Ik schudde mijn hoofd en staarde naar de deur.
'Dit is Seringe, een nieuwe vriendin van me. Ik ken haar nog maar pas, maar ik heb er een goed gevoel over,' vertrouwde hij het meisje achter de bar toe. Ze haalde haar schouders op. Ik keek blij naar Constantijn.

's Avonds liep hij met me mee naar huis. Vier uur lang lagen we op de bank van zender naar zender te zappen voordat we onze zoektocht naar een interessant programma staakten en ons overgaven aan lamlendigheid. 'Blijf je slapen?' vroeg ik.
'Ik slaap het best in mijn eigen bed,' antwoordde hij. Toen zijn we zijn matras op gaan halen dat hij ergens in de box van een vriend in Oost had opgeslagen.

'Blijven slapen, in dat kabouterbedje van jou?' vroeg Tom A. verontrust door de telefoon.
'We hebben zijn matras opgehaald, want hij slaapt het best in zijn eigen bed.'
'Sering, is dit nou wel een slim plan?'
'Jazeker, ik heb op het internet gekeken en jij en Tom S. hebben hooguit nog vijftien jaar en ik ben niet van plan alleen over te blijven.'
Tom A. begon aan een lange preek over leven en dood, over vriendschap en liefde én uiteindelijk over welvaart en armoede, ik vond het erg zonde van mijn beltegoed, maar ik luisterde wel naar hem, want af en toe is er ook iemand nodig die luistert. Daarom stonden we vroeger zo vaak op het Malieveld of het Binnenhof, omdat 'De Politiek' niet luisterde naar de burgers. Als ze dat wel hadden gedaan, dan hadden Beuk en ik gewoon lekker thuis mogen blijven.

'Hoe kom jij aan dit huis?' had Tijn gevraagd toen hij binnenkwam.
'Gekregen van mijn vader, hij heeft het voor me gekocht om mijn moeder dwars te zitten.'
'O.'
'Mijn moeder noemt mijn vader nu de Kapitalistische Duivel.'
'Vind je het erg dat je moeder dat zegt?'
'Nee, mijn vader is enthousiast over het idee dat hij de Kapitalistische Duivel is.'
'Ja.'
'Mijn vader is eigenlijk nooit iets anders geweest dan een vader en een zakenman, nu is hij een Kapitalistische Duivel, snap je, dat is weer iets compleet anders.'
'Ja.'
'Mijn moeder is blij, want ze heeft in hem een tegenstander van formaat herkend, mijn vader is blij, want hij heeft eindelijk iets om voor te leven en ik ben blij want ik heb een huis.'
'Wat fijn dat iedereen zo gelukkig is geworden,' zei hij terwijl hij een zak chips opende en een hapje nam.